Teeltadvies

Perceelskeuze

Uien zijn zeer gevoelig voor structuurschade en vochtoverlast, daarom dienen ze bij voorkeur geteeld te worden op percelen waarvan de structuur en de ontwatering goed zijn. De grond moet in het voorjaar goed bewerkbaar zijn, omdat een vroeg planttijdstip een voorwaarde is voor een vroege oogst.

Een vroege oogst is voor uienteelt van groot belang, omdat de teelt over het algemeen gericht is op het vroeg op de markt brengen van verse uien. Bij de teelt van tweedejaars plantuien dient de grond vrij te zijn van stengelaaltjes (Sclerotium cepivorum) en witrot (Ditylenchus dipsaci). Bij twijfel over de gezondheidstoestand van de grond kan grondonderzoek de gewenste duidelijkheid verschaffen.

Vruchtwisseling

Vruchtwisseling houdt in het na elkaar telen van verschillende gewassen op een perceel, dit om bodemziekten te voorkomen. Pas na enkele jaren komt hetzelfde gewas weer op het perceel terug. Veel gewassen hebben last van bodemziekten, die veroorzaakt worden door aaltjes, schimmels en insecten. Om een perceel dat niet is besmet met stengelaaltjes en/of witrot gezond te houden, is een ruime vruchtwisseling nodig. Hierbij moet bij uigewassen (zoals zaaiuien, plantuien, pickles of zilveruien) gedacht worden aan een teeltfrequentie van 1 op 5 of ruimer.

Indien er sprake is van onvoldoende vruchtwisseling, ofwel te nauwe rotatie, kan ook aantasting door Fusarium de teelt van uien onmogelijk maken. In het verleden hebben Nederlandse telers na te nauwe rotaties te kampen gehad met zware aantasting van de uien.

Grondbewerking

Onder grondbewerking wordt over het algemeen alleen het maken van een zaai- of plantbed verstaan. Het omvat echter meer, omdat ook het voorafgaande ploegen een wezenlijk onderdeel van de grondbewerking uitmaakt.
De grondbewerking is een facet dat veel aandacht vraagt. Bij elke bewerking van de grond moet het oogmerk zijn: het verbeteren van de structuur en het behoud daarvan.

De fijnheid/grofheid van de gronddeeltjes is bij een zaaibed/plantbedbereiding te regelen door middel van de snelheid van de egtanden en/of de rijsnelheid. Op percelen waar tweedejaars plantuien moeten worden geteeld is goed en tijdig ploegwerk absoluut noodzakelijk, met name op klei- en zwavelgronden. Uitsluitend op lichte zwavelgronden kan deze bewerking eventueel uitgesteld worden tot het voorjaar. Om tijdens het planten de plantuien met voldoende grond te kunnen bedekken, moet de grond tot een diepte van 8-10 cm worden losgemaakt.

De grond moet voldoende droog zijn; door bewerking van een te natte grond ontstaat veelal een te grof kluiterig plantbed. Het gevolg is een onvoldoende bedekking van het plantgoed met losse grond. Als in zulke gevallen na het planten sterk drogende omstandigheden optreden, kan dit gevolgen hebben voor het aanslaan van het plantgoed. Daarnaast kunnen kluiten voor de nodige problemen zorgen bij de oogst.

Berijden van de grond voor bemesting of bewerking kan het best gedaan worden met een trekker die is voorzien van banden met maximaal 0,5 bar spanning. Bij vorst wordt berijden van de grond afgeraden omdat dit de plantuien zou kunnen beschadigen.

Bemesting

Stikstof ( N )
2e jaars plantuien vragen de nodige hoeveelheid stikstof. Op basis van diverse proeven in de bekende uienteeltgebieden in Nederland, moet het geven van 160 kilo stikstof (N) per hectare gedurende de teelt worden geadviseerd. Uit deze proeven is ook gebleken dat meer stikstof toedienen zinloos is en zelfs afgeraden moet worden. Teveel stikstof wordt niet opgenomen door de plant en kan een negatief effect hebben op de kwaliteit. Als gevolg van het toedienen van teveel stikstof (N) zal het percentage kale uien toenemen en de hardheid afnemen.

Bij de teelt van winteruien wordt geadviseerd om in het najaar al 30-40 kilo stikstof (N) toe te dienen en het restant van de totale behoefte (110-120 kilo) gespreid over het voorjaar (vóór 1 juni).

Voor voorjaarsteelt is, om tot een vlotte start te komen, een basisbemesting van 60-80 kilo stikstof (N) meer dan voldoende.

Fosfaat

Fosfaatgebrek in uien komt zelden voor. Een tekort zou echter verantwoordelijk kunnen zijn voor een vertraagde afrijping van het gewas. Om vast te kunnen stellen of er sprake is van een optimale fosfaatgift, is een goed inzicht in het fosfaatgehalte van de bodem noodzakelijk. Als het Pw-getal bekend is, kan de benodigde hoeveelheid fosfaat uit de tabel hiernaast worden afgelezen. Dit getal wordt bepaald aan de hand van een extractie van fosfaat uit de bodem. Met name bij de start van de 2e jaars plantuienteelt is bemesten met een goed opneembare fosfaatmeststof belangrijk. Dit vanwege het feit dat wanneer de grond koud is, er weinig direct opneembare fosfaat voor de plant beschikbaar is. Bij een hogere grondtemperatuur in mei/juni komt er vanuit de grond meer fosfaat beschikbaar waardoor verdere bemesting doorgaans niet meer nodig is.


Kali

Net zoals fosfaatgebrek komt ook kaligebrek in uien relatief weinig voor. Een tekort aan kali kenmerkt zich door een diep dondergroene kleur en dode bladpunten, met een sterke insnoering bij de overgang van het groene deel naar het dode deel. De geadviseerde hoeveelheid kalium ( tabel hiernaast ) is afhankelijk van het kaliumgehalte van de grond, uitgedrukt in het kali (K) getal of het K-HCI-cijfer bij lössgronden. Bij de kalibemesting bij tweedejaars  plantuien kunnen zonder bezwaar chloorhoudende kalimeststoffen worden gebruikt.  


Mangaan

Op lichte kalkrijke (zee)kleigronden en op gronden met veel fosfaat en/of veel organische stof kan mangaangebrek optreden. Een belangrijk symptoom is een slaphangend gewas waarvan het loof min of meer gestreept is. Bij ernstig of langdurig gebrek blijft het gewas achter in ontwikkeling. Herstel treedt na een bespuiting met een 1,5%-oplossing van mangaansulfaat meestal snel op. Zodra de eerste verschijnselen worden waargenomen moet er worden gespoten. Geadviseerd wordt 1.000 liter water per hectare te gebruiken. De benodigde concentratie mangaansulfaat bedraagt dan 15 kilo per hectare. In verband met de kans op beschadiging van het blad dient bij bewolkt weer of in de avonduren te worden bespoten. Zo nodig kan bespuiting na ongeveer één week worden herhaald.

Planten

Zodra in het vroege voorjaar de grond- en weersomstandigheden het toelaten, kunnen de plantuitjes worden geplant. Om vroeg te kunnen oogsten, is tijdig planten aan te bevelen. Bij geschikte omstandigheden wordt soms al in februari geplant.
De overwinteringsrassen worden bij voorkeur in de tweede of derde week van oktober geplant. De grond moet goed bewerkbaar zijn, zodat een goed plantbed kan worden gemaakt, met voldoende losse grond om de uitjes af te dekken. Plantuitjes zijn weinig vorstgevoelig. Mits ze goed door grond zijn bedekt, zal bij nachtvorst na het planten niet vaak schade optreden.

Onkruidbestrijding

Voor de onkruidbestrijding bij tweedejaars plantuien zijn zowel mechanische als chemische methodes beschikbaar. De te kiezen methode is afhankelijk van de omstandigheden, deze bepalen de slagingskans. Zo is mechanische onkruidbestrijding bij een vochtige grond of na een bepaald gewasstadium niet mogelijk, terwijl een chemische onkruidbestrijding bij een droge grond mogelijk onvoldoende werkt, zoals bij middelen met bodemwerking het geval is. Tevens werken ze de specifieke onkruidbezetting mogelijk onvoldoende tegen.

Om problemen met onkruid te minimaliseren wordt geadviseerd om de teelt zo schoon mogelijk te beginnen.

Mechanisch

De mogelijkheden van schoffelen zijn afhankelijk van de grond en de weersomstandigheden. Schoffelen is mogelijk vanaf het moment dat de rijen goed zichtbaar zijn, totdat de bladeren dusdanig gegroeid zijn dat er te weinig ruimte is om te schoffelen en er beschadiging optreedt. Met schoffelen kan jong onkruid worden bestreden. Eventueel kan door gebruik van kleine egjes achter de schoffels de werking worden versterkt.

Chemisch

Voor de chemische bestrijding van onkruid in tweedejaars plantuien is een aantal middelen beschikbaar. Kort na het planten kan, om het kiemen van onkruid tegen te gaan, een aantal bodemherbiciden worden toegepast. Dit kan op onkruidvrije grond. De grond dient vochtig te zijn, maar indien er op korte termijn regen wordt verwacht is dit ook goed. Een bodemherbicide is nooit 100% effectief, daarnaast kan er bij het planten al wat onkruid aanwezig zijn. Voor dit onkruid kan gebruik worden gemaakt van een contactherbicide dat al het aanwezige onkruid bestrijdt. Let er wel op dat bij het gebruik van contactherbiciden dat deze vóór opkomst van het gewas worden ingezet, omdat anders de uien ook worden bestreden. Raadpleeg altijd een bestrijdingsmiddelenadviseur.

Oogsten

Nadat de uien zijn ontwikkeld en er geen nieuw groen loof meer wordt gevormd zal de bol sterk in omvang groeien en wordt gaandeweg de hals steeds zwakker. Deze verzwakking van de hals leidt ertoe dat het loof, afhankelijk van de windsterkte, vroeger of later gaat strijken. Het strijken van het loof is een duidelijk zichtbaar teken van afrijping. Na het strijken zal het loof normaal gesproken geleidelijk afsterven. Zodra ongeveer 50% van het loof is afgestorven en de uien voorzien zijn van een geelbruin gekleurd droog vlies dat de bol bedekt kan met de oogst worden begonnen. Om kans op diverse schimmelziektes te verkleinen is het van belang om na het strijken van het loof niet meer te beregenen.
Om met minder energie te kunnen drogen en om het in en uit de bewaarruimte halen van de uien makkelijker te maken, wordt voor het rooien het grootste deel van het loof afgemaaid ( loofklappen ). De uien moeten alleen als het loof winddroog is en boven de splitsing van het loof geklapt worden. Te kort en te vochtig klappen verhoogt de kans op schimmelziektes.
Na het rooien is ( mits tijdig geoogst en bij mooi weer ) een velddroogperiode van enkele dagen aan te bevelen. Een te laat gerooid product waarbij het loof geheel afgestorven is dient direct na het rooien te worden ingeschuurd.
Om beschadigingen van de uien te voorkomen moet bij het rooien en oprapen de apparatuur goed afgesteld zijn. De zeefkettingen dienen bekleed te zijn en er moet gestreefd worden naar een zo laag mogelijke valhoogte van de uien.

Drogen en bewaren

Om goed te kunnen drogen en bewaren, moet men beschikken over een capaciteit van 150m³ lucht per m³ uien per uur bij een tegendruk van 300 Pascal. Direct na binnenkomst dient te worden begonnen met een constante droging (bij voorkeur in kisten met een (open) gaasbodem). Bij 30˚Celcius als de uien onder de juiste condities geoogst zijn ( circa 50% afgestorven loof ). Als het loof van de uien bij de oogst bijna volledig afgestorven is, wordt om het percentage kale uien te minimaliseren, geadviseerd om iets koeler te drogen bij een temperatuur van ongeveer 25˚Celcius. De schimmel koprot, die het snelst groeit tussen de 22 en 25 ˚Celcius en die via de hals de ui binnen kan treden, kan niet in droog weefsel groeien. Daarom is het van belang om zo snel mogelijk de weg naar de bol af te sluiten door te drogen, totdat de hals volledig droog is en niet meer ‘rolt’ tussen duim en wijsvinger.

Zodra de tweedejaars plantuien droog zijn worden ze normaal gesproken direct gesorteerd, terug gekoeld, verpakt en geëxporteerd. Als de tweedejaars plantuien toch bewaard dienen te worden voor bijvoorbeeld de industriële verwerking, neem dan contact met ons op voor een advies op maat.

-